Uitspraken Hoge Raad inzake toepassing misbruiktoets van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting

01 augustus 2025

Recent heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen met betrekking tot de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting en de antimisbruikbepaling op een dividenduitkering van een Nederlandse feeder vennootschap (‘feeder’) aan een Belgische holdingvennootschap. In beide arresten ligt de nadruk op de toepassing van de antimisbruikbepaling in internationale houdsterstructuren.

De antimisbruikbepaling van de inhoudingsvrijstelling

Op grond van artikel 4, lid 2, Wet op de dividendbelasting 1965, blijft onder voorwaarden de inhouding van dividendbelasting achterwege op dividenduitkeringen binnen internationale houdsterstructuren. Echter, een belangrijke uitzondering hierop is in het geval sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is opgezet met als doel (of een van de hoofddoelen) om de dividendbelasting bij een ander te ontgaan.

Feiten en uitspraken Rechtbank en Hof

In de eerste zaak (HR 18 juli 2025, 22/02691, ECLI:NL:2025:1162) hield een Belgische vennootschap een belang van 38,71% in de feeder en functioneerde als een Belgische holding van drie in België woonachtige familieleden. Deze Belgische vennootschap was in eerste instantie opgericht om de aandelen in een andere Belgische vennootschap te houden. Op enig moment na de verkoop van die aandelen in 2011 heeft de vennootschap de investering in de feeder gedaan. Op het moment van de dividenduitkering in 2018 had de Belgische vennootschap weinig economische substance in België. Naast het houden van de aandelen in de feeder vennootschap verrichtte de Belgische vennootschap geen andere activiteiten. Daarnaast had de vennootschap nog twee oldtimers op haar balans staan.

Zowel de Rechtbank als het Hof oordeelden eerder dat de antimisbruikregeling meebracht dat de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing was. Belangrijkste argumenten hiervoor waren dat de Belgische vennootschap geen andere economische activiteiten verrichtte, geen personeel in dienst had en geen kantoorruimte tot haar beschikking had. Dat de Belgische vennootschap tot doel had om de investeringen van de achterliggers te ‘poolen’ werd daarbij als onvoldoende rechtvaardiging geacht, waardoor de structuur als misbruik werd aangemerkt.

In de tweede zaak (HR 18 juli 2025, 22/02695, ECLI:NL:2025:1163) hield een eveneens Belgische vennootschap een belang in een feeder van 24,39%. Deze Belgische vennootschap beheerde investeringen voor een Belgische familie. De Belgische vennootschap hield in dat kader meerdere deelnemingen in België en Nederland met een materiële onderneming. Daarnaast werden deze andere deelnemingen actief beheerd en bestuurd door de Belgische vennootschap. Een van de (indirecte) aandeelhouders en diens echtgenoot vormden het management voor de Belgische vennootschap (tegen vergoeding) en ze verrichten de werkzaamheden vanuit een aparte werkruimte in hun woning.

In deze tweede zaak kwamen de Rechtbank en het Hof tot andere conclusies. De Rechtbank oordeelde dat in deze casus geen sprake was van misbruik en de inhoudingsvrijstelling van toepassing was. Volgens de Rechtbank werden vanuit de Belgische vennootschap economische activiteiten verricht, waardoor de Belgische vennootschap een materiële onderneming dreef en ook in dat kader het belang in de feeder vennootschap hield. Het Hof daarentegen redeneerde anders en weigerde de toepassing van de inhoudingsvrijstelling. Zonder het tussenschuiven van de Belgische vennootschap (en de holdings daarboven) zou uiteindelijk wel dividendbelasting verschuldigd zijn op dividenduitkeringen door de feeder vennootschap rechtstreeks aan de uiteindelijk aandeelhouders (in België woonachtige natuurlijke personen). Hierbij overwoog het  Hof dat het belang in de feeder niet functioneel aan de onderneming van de Belgische vennootschap kon worden toegerekend, aangezien deze vennootschap geen bemoeienis had met de activiteiten van de feeder en/of de door de feeder gehouden aandelenbelangen. Daarnaast was er volgens het Hof onvoldoende relevante substance aanwezig bij de Belgische vennootschap. De Belgische vennootschap had geen eigen personeel (het personeel was ingehuurd van een andere entiteit van de aandeelhouders) en de vennootschap had geen kantoorruimte tot haar beschikking staan (de werkruimte in de woning stond niet specifiek ter beschikking aan de Belgische vennootschap). Het Hof oordeelde dat op basis hiervan de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing was op de dividenduitkering aan de Belgische vennootschap en dat dus Nederlandse dividendbelasting verschuldigd was.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad laat in beide situaties de uitspraak van het Hof in stand en bevestigt dat in deze situaties sprake is van misbruik en de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing is. In de eerste plaats bevestigt de Hoge Raad dat met de antimisbruikbepaling aansluiting is gezocht bij het EU-rechtelijke antimisbruikbegrip en dat daarmee ook jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (‘HvJ EU’) relevant is voor uitleg van deze bepaling. Ook voor de bewijslastverdeling sluit de Hoge Raad aan bij de jurisprudentie van het HvJ EU.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het in stand houden van een structuur die oorspronkelijk was opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen bij gewijzigde omstandigheid ertoe kan leiden dat de structuur als kunstmatig wordt aangemerkt. Of sprake is van misbruik is volgens de Hoge Raad een sterk feitelijke beoordeling. Een feitelijke beoordeling is slechts reden voor cassatie wanneer sprake is van een onbegrijpelijke of onvoldoende motivering. Daar is in beide gevallen geen sprake van. Aldus laat de Hoge Raad de conclusies van het Hof, dat sprake is van misbruik, in stand.

De Hoge Raad voegt aan het door het Hof gehanteerde toetsingskader twee elementen toe; namelijk een materieel element en een temporeel element.

Materieel element. De Hoge Raad benadrukt dat een constructie kan bestaan uit meerdere stappen of onderdelen, en dat het niet noodzakelijk is dat de gehele structuur kunstmatig is om onder de antimisbruikbepaling te vallen. Het is voldoende dat één of meer onderdelen of stappen binnen de structuur als kunstmatig kunnen worden aangemerkt. Daarmee introduceert de Hoge Raad een gelaagde benadering van misbruik: de beoordeling kan zich richten op specifieke elementen binnen een bredere structuur. De omstandigheid dat een vennootschap een materiële onderneming drijft, betekent niet per definitie dat geen sprake is van misbruik. De gehouden aandelen moeten namelijk ook nog aan dat ondernemingsvermogen kunnen worden toegerekend. Van belang is dus dat er sprake is van actief beheer en bestuur met betrekking tot die deelnemingen.

Temporeel element. Daarnaast maakt de Hoge Raad duidelijk dat de beoordeling of sprake is van misbruik niet beperkt is tot het moment waarop de structuur is opgezet. Ook latere wijzigingen in omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een aanvankelijk legitieme structuur alsnog als kunstmatig moet worden beschouwd. Bijvoorbeeld wanneer de economische functie van een vennootschap vervalt of wanneer nieuwe, kunstmatige elementen aan de structuur worden toegevoegd. Deze dynamische benadering betekent dat ook feiten en omstandigheden die zich voordoen ná de oprichting van de structuur relevant kunnen zijn voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. Uit rechtspraak van het HvJ EU volgt dat relevant is in welke mate de tussenhoudster feitelijk beschikkingsmacht heeft over de ontvangen dividenden. De Hoge Raad herhaalt dat het hof heeft overwogen dat in feite de achterliggende familieleden die aandeelhouder zijn van de Belgische vennootschappen, kunnen beslissen of ze de gerealiseerde winsten kunnen uitkeren en dat de beschikkingsmacht hiervoor dus niet bij de Belgische vennootschappen zelf ligt. Er gold voor de Belgische vennootschappen ook geen verplichting tot herinvesteren.

Commentaar Aegis Tax Lawyers

De twee uitspraken benadrukken nogmaals dat het geen gegeven is dat de inhoudingsvrijstelling van toepassing blijft wanneer eenmaal is getoetst of géén sprake is van misbruik. Ook in een later stadium kan een structuur die op basis van economische realiteit is opgezet, door een wijziging van omstandigheden alsnog kwalificeren als misbruik.

Met name in het geval van passief gehouden investeringen door familieholdings of persoonlijke houdstervennootschappen bestaat het risico dat er onvoldoende economische substance aanwezig is die het kunstmatige element van de misbruiktoets van de inhoudingsvrijstelling ontkrachten.

Daarnaast is het van belang dat wanneer sprake is van een materiële onderneming bij de ontvanger van het dividend, voor de misbruiktoets van de inhoudingsvrijstelling per belang moet worden beoordeeld of dit functioneel toerekenbaar is aan die onderneming. Het is hierbij relevant of die onderneming actief betrokken is bij het beheer en bestuur van de vennootschap waarin het belang wordt gehouden.

Verder is de mate van zeggenschap van de aandeelhouders van de ontvanger van het dividend over de winstbestemming relevant. Dit is relevant wanneer de aandeelhouder geheel naar eigen inzicht kan beslissen of de ontvangen dividenden worden uitgekeerd aan de aandeelhouders of worden herbelegd. In dat geval heeft de ontvanger van het dividend (in dit geval de Belgische vennootschap) geen vrije beschikkingsmacht over de dividenden die zij ontvangt. Daar speelt mee dat voor de ontvanger van het dividend geen verplichting bestaat om deze ontvangen winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren. Hierdoor lijkt de Hoge Raad bij de beoordeling of de structuur misbruik oplevert mee te wegen dat het hier de achterliggende aandeelhouders zijn die in de onderhavige zaak feitelijk tot het dividend gerechtigd is. Daarbij lijkt het relevant dat de aandeelhouders in dit geval tevens bestuurder zijn van de ontvanger van het dividend. In situaties waarin sprake is van een onafhankelijk of derde bestuur, ligt dit mogelijk anders.

Samenvattend kunnen de gevolgen van deze twee uitspraken mogelijk verstrekkend zijn en verder reiken dan familie- of persoonlijke houdstermaatschappijen. De uitspraken benadrukken het belang van een analyse per geval en kunnen van invloed zijn op een breed scala aan grensoverschrijdende investeringsstructuren die in of via Nederland investeren. Voor de toepassing van de inhoudingsvrijstelling moeten aandeelhouders de economische substance en de daadwerkelijke functionele band tussen hun houdstermaatschappijen en Nederlandse (passieve) investeringen zorgvuldig beoordelen.

Mocht u vragen hebben over dit onderwerp, neem dan gerust contact op met één van onze adviseurs.

Deel bericht